Craniosacraal therapie

Therapeut en beroepsgroep worden veroordeeld

COLLEGE VAN BEROEP NVKH NWP RCN VN

Uitspraak in het hoger beroep in de zaak tussen

mevrouw A

wonende te B

klaagster,

en

mevrouw C

praktijkhoudende te D

verweerster,

advocaat: mr. F

 

Partijen zullen hierna klaagster  en verweerster genoemd worde

 

Het college is met klaagster van oordeel dat verweerster de behandelrelatie niet op professionele wijze heeft beëindigd, hetgeen zonder meer van haar had mogen worden verwacht. Het college onderschrijft het door verweerster in hoger beroep ook niet meer betwiste oordeel van het tuchtcollege dat niet is gebleken dat de opzegging voordien met klaagster is besproken of aangekondigd. Het verzenden van de e-mail van 26 januari 2014, waarmee Van Deelen een zeer intensieve therapeutische relatie van meer dan vijf jaar verbrak, is geen respectvolle wijze van beëindigen. Dit klemt te meer, gelet op de zeer ernstige psychiatrische problematiek van klaagster en haar zeer zorgelijke fysieke conditie.

Anders dan het tuchtcollege is het college van oordeel dat verweerster niet gezorgd heeft voor adequate hulp, overdracht en/of doorverwijzing naar een andere hulpverlener. De samenwerking met de andere hulpverlener van klaagster, psychiater H, verliep al sinds begin 2013 verre van optimaal. Enig overleg met klaagster over de vraag of voortzetting van de behandeling door de psychiater in deze situatie voor de hand lag of dat andere maatregelen dienden te worden getroffen, heeft niet plaatsgevonden. verweerster was in januari 2014 meer met zichzelf bezig dan met de belangen van haar zeer kwetsbare patiënte. Van een serieuze overdracht van verantwoordelijkheden is niet gebleken.

Het moge zo zijn dat verweerster in die fase zelf labiel was – ze had kennelijk ver boven haar macht gewerkt en daarmee de grenzen van haar competenties fors overschreden - dit rechtvaardigt geenszins de wijze waarop zij vervolgens uitvoering heeft gegeven aan het bij haar inmiddels ontstane inzicht dat haar eigen geestelijke gezondheid in het geding was bij verdere voortzetting van de therapie. Ook in zulke omstandigheden dient een professionele therapeut in overleg te treden met de patiënt, in begrijpelijke bewoordingen uit te leggen waarom het besluit wordt genomen en in samenspraak met de patiënt voor adequate doorverwijzing zorg te dragen. Waar nodig bestaat er immers altijd de mogelijkheid om bijstand van collega’s in te roepen, al was het maar om de beëindiging in de juiste banen te leiden en de belangen van de patiënt niet te schaden door eigen onevenwichtigheid op het moment van beëindiging. Ook in dit opzicht is verweerster ernstig tekort geschoten, ook indien getoetst wordt aan de richtlijnen die de KNMG hanteert bij het beëindiging van geneeskundige behandelingsovereenkomsten in de reguliere gezondheidszorg.

Verweerster heeft er in dit kader voorts op gewezen dat verweerster noch voor noch tijdens de procedure in eerste aanleg er blijk van heeft gegeven dat niet klaagster , maar uitsluitend zij zelf verantwoordelijk was voor haar gedrag en dat zij, hoewel daarom herhaaldelijk verzocht, ieder persoonlijk gesprek uit de weg is gegaan. Daarmee heeft zij onnodig extra leed toegevoegd, waar begrip en erkenning helend had kunnen werken.

Het kan niet zo zijn dat zware vroegkinderlijke trauma’s worden behandeld zonder de leidende back-up van deskundigen, zoals psychiaters en psychotherapeuten.

Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij deze les voor zichzelf ook heeft getrokken. Van het mede behandelen van dit soort problematiek zal zij zich in de verdere toekomst onthouden en haar ervaring brengt zij in bij de leden van haar beroepsvereniging, onder meer tijdens cursussen waarbij zij als mededocente optreedt. Het is aan de beroepsvereniging om zich verder te bezinnen op de omvang van haar werkterrein en zich te confronteren met de vraag waar de grenzen getrokken moeten worden. Het moet duidelijk zijn dat de behandelaar binnen het craniosacraal domein moet blijven en moet handelen naar zijn competenties, vaardigheden en ervaring, zodat de setting voor zowel cliënt als therapeut veilig blijft.

In de onderhavige zaak is gebleken dat verweerster tijdens de behandeling van klaagster supervisie heeft gezocht en gekregen van een persoon, die zij heeft gepresenteerd als een zeer deskundig, BIG-geregistreerd, psychotherapeut, maar wiens inschrijving in het BIG-register echter reeds in 2002 was doorgehaald door het regionaal tuchtcollege te Zwolle wegens seksueel overschrijdend gedrag bij een DIS-patiënt. Het spreekt voor zichzelf dat de ontdekking van dit gegeven voor klaagster buitengewoon pijnlijk moet zijn geweest. Weliswaar heeft verweerster ter zitting naar voren gebracht hiervan niet op de hoogte te zijn geweest, maar dit gebeuren dient voor haar en haar beroepsvereniging uiteraard als een klemmende ‘wake-up-call’ te worden beschouwd. Een professionele therapeut zal zich kritisch dienen te vergewissen van de professionele maar, voor zover mogelijk, ook van de persoonlijke integriteit van de mensen die worden ingeschakeld.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Dit brengt met zich dat de uitspraak van 6 november 2014 van het tuchtcollege geen stand kan houden en zal worden vernietigd.

 

De beslissing

 

Het college, oordelend in hoger beroep,

vernietigt de beslissing van het tuchtcollege van 6 november 2014 en opnieuw rechtdoende,

verklaart de klachten van klaagster gegrond;

legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;

Aldus gewezen op 27 juni 2015 door

de heer mr. D. Vergunst, voorzitter, de heer T. Corver (RCN), mevrouw A. Prins-De Jongh (NWP) en mevrouw F. Westerduin (VNT), leden,
in tegenwoordigheid van mevrouw mr. A. Procee, secretaris.